Een Blitterswijker aan de schandpaal
door: P.G.H. Vullings
Op 6 januari 1820 vond er een aanranding plaats van twee jonge meisjes
afkomstig van Venray. Het proces verbaal werd opgemaakt op 8 januari door de
toenmalige schout van Meerlo, Peter Arnold Venhorst, een man met een
uitgesproken mening over de dader en zijn familie.
De beide slachtoffers waren de 20 jaar oude Theodora Huijgen, wonende
(dienstmeid?) bij de bakker Cleophas te Venray en de 23 jaar oude Theodora
Fleuren, wonende (ook als dienstmeid?) bij de gemeenteontvanger Janssen te
Venray.
Het gebeurde omstreeks 10 uur ’s morgens "in de Bergen" op de weg
van Venray naar Meerlo. Beide meisjes waren op weg van Venray naar Meerlo
(woonden beiden in Meerlo?).
De meisjes kwamen een man tegen die hen goedendag wenste en na enige schreden
verder te zijn gelopen, zich toen omdraaide en terugkwam. De man greep zonder
iets te zeggen Theodora Huijgen en zette zijn rechterknie op haar borst en de
rechtervuist op haar hals. Met de linkerhand wilde hij de gouden oorbel aan haar
rechteroor afpakken. Het meisje riep daarop "daar komt mijn vader aan, nu
sult gij mijn wel los laten". Dit had zij in haar angst verzonnen. Het
meisje verweerde zich en gaf de man daarbij enkele flinke krabben in de wangen.
De man liet daarop het meisje los en vroeg aan beiden hem geld te geven.
Theodora Huijgen gaf hem vier Kleefse stuivers en Theodora Fleuren had 23 en een
halve stuiver op zak. Hierna vervolgde de man zijn weg naar Venray en de meisjes
hun weg naar Meerlo. Verder verklaarden de meisjes dat de man tussen de 40 en 50
jaar oud was, gekleed in een slechte blauwe kiel, een doek om het hoofd geknoopt
en een driehoekige hoed op zijn hoofd.
Aan de hand van bovengestelde omschrijving van de dader was het mogelijk om de
"deuge niet" vrij snel te achterhalen:
"het was Martin Noijen dagloonder van Blitterswijk, die zig aan deze wandaden heeft schuldig gemaakt het was dezen die volgens de rapporten van onzen veldschutter Hendrik Blancken de krabben in het linkerwang had en die volgens verklaring zijner eijge vrouw gisteren morgen circa 8 uren van Blitterswijk was gegaan om haren trouwrink te Venraij te gaan verkopen dus valt met grond alle verdacht op dezen Noijen die reeds zedert lange eenen slechten naam gehad heeft"
De schout van Meerlo liet Noijen arresteren, deze ontkende in eerste
instantie alles, maar na enige druk bekende hij toch schuld met als excuus dat
hij door de armoede hiertoe gedreven was en vroeg om een lichte straf. Echter
omdat men overtuigd was van de slechte gedragingen van Noijen heeft de
"Brigadier der Marchaussees" verzocht om de verdachte te laten
verschijnen voor de "Heere Procuratur des Konings" te Roermond om daar
de zaak volgens de regels te laten afhandelen. Hierbij zal dit proces verbaal
worden overhandigd en ook een kopie aan de "Heere Commissaris van het
Arrondissement".
Het proces verbaal werd getekend door de veldschut Blanken en de schout
Venhorst.
De meisjes legden op 9 januari nog een verklaring af bij de schout van Meerlo.
Dorathe Huijgen, zoals ze nu in het verslag genoemd word, verklaarde "dat
sij nog siek was van de schrik". Dorothea Fleuren verklaarde dat zij op het
moment dat Martin Noijen haar vriendin mishandelde verlamd van schrik was. Zij
verklaarde verder dat zij wel wist dat het Martin Noijen, ook wel genoemd "foeselbetjong
van Blitterswiek", was.
De schout laat er geen gras over groeien en schrijft dezelfde dag nog een brief
aan de "Procurator des Konings". Hierin schrijft Venhorst dat de
meisjes in eerste instantie vol schrik waren en dat een tante hen afgeraden had
om verdere aangifte te doen. Hij heeft de meisjes toen op 9 januari opnieuw
verhoord. Venhorst begint met te vertellen dat het hier om "den grootste
deugeniet mijner gemeente" gaat. Verder in de brief schrijft hij:
"het is mijn niet alleen maar alle de inwoonders deser gemeente en omstreek eene ware voldoening om opgenoemde deugeniet aan den wettigen Richter te konnen overleveren, lange heeft hij straffe verdiendt wegens sijne veelvuldige diverijen waarover men hem niet konde overtuijgen gewoonlijk als hij iets gestolen had had hij het gevonden en had allerhande listen om sijne gerechte verdiende straffe te ontgaan, sijn uijthangbord toont aan van welk soort hij is, sijne eenige suster is ook niet beter die door het grootste gedeelte van Holland bedelde en een seer onsedig leven leijd, deselve word ook van tijd tot tijd om haare schandelijke bedrijven in de gevangenisse opbewaart, hare lieve moeder seer bekend onder den naam van Foeselbet is ook niet beter, versuijpt en verset alles waar sij maar aankomen kan, en lijd dan aan de eene hoek van het dorp dan aan de andere te vallen, een jegelijk vlucht voor dese charmante familie, en het was inderdaat te wenschen dat men te Rekum deselve als een Presentje aannam, wij alle soude er groot genoegen in scheppen, gisteren naar den kerkelijken dienst was het woord niet anders dan Bravo den deugeniet is gevat, nu sal hij wel voor sijne gedane wanbedrijven boeten, wij hopen en verwachten het met grond"
aldus de onverbloemde mening van Venhorst over de familie Noijen.
Het proces tegen Martin Noijen vond uiteindelijk plaats te Maastricht op 3
maart. Het gerechtshof deed op die dag uitspraak en de rechters oordeelden hem
schuldig aan het ten laste gelegde misdrijf. Het hof vond dat de artikelen 383,
20, 22, 26 en 236 van de "Code Penal" en de artikelen 366 en 368 van
de "Code d’Instruction Criminelle" van toepassing waren. De
"Code Penal" en de "Code d’Instruction Criminelle" zijn
beide wetboeken die nog ontstaan zijn in de Franse tijd onder keizer Napoleon I.
Martin Noijen, "présent à la barre" (aanwezig in de rechtszaal),
werd veroordeeld tot "travaux forces à perpétuité" (levenslange
dwangarbeid) en "aux les fraix envers l’etat" (de kosten van het
proces). Maar daarmee was de kous nog niet af voor Martin. Bovendien werd hij
veroordeeld tot 1 uur aan de schandpaal en een brandmerk.
Van de voltrekking van het lijfstraffelijke gedeelte van het vonnis is een
proces verbaal bewaard gebleven dat een beschrijving van dit publieke gebeuren
geeft.
De "commis-griffier du Tribunal de première instance de l’arrondissement
de Maastricht" Hupkens geeft verslag van de executie van het vonnis op 19
augustus 1820. Hij heeft plaats genomen in de "chambre des finances"
(rekenkamer) van het stadhuis van Maastricht. Deze positie geeft hem een goed
uitzicht op het plein waar men gewoon is criminele vonissen te voltrekken. Hij
schrijft het volgende:
"Certifie qu’en exécution de l’Arrêt rendu le trois Mars dernier, contre Martin Noijen, âgé de trente quatre ans, journalier, né et domicilié à Blitterswijk, l’exécuteur des Arrêts Criminels et ses aides accompagnés d’une escorte de la Maréchausseé a conduit sur la place publique le dit Martin Noijen, lequel a été attaché au carcan ayant au dessus de la tête un ecriteau conformément à l’art. 22 au Code Pénal, qu’il y est resté attaché depuis la dite heure jusqu’à midi sonné, et qu’après cela il a été fletri par l’empreinte des lettres TP avec un fer brulant sur l’épaule droite".
Hij schrijft dus dat de 34 jarige Martin Noijen uit Blitterswijk door de beul met zijn hulpen onder escorte van de Marechaussee naar het plein werd gebracht. Hier werd hij een uur lang in de schandpaal gezet tot 12 uur ’s middags, met een bord boven zijn hoofd bevestigd conform voorschrift uit de Code Pénal (op het bord staat waarschijnlijk de reden van zijn veroordeling). Daarna werden hem de letters TP met een gloeiend ijzer op zijn rechter schouder gebrand. TP zou weleens kunnen betekenen dat de drager hier van tot levenslange dwangarbeid is veroordeeld (Travaux forces à Perpétuité).
Het vonnis werkt enigszins bevreemdend vanwege de voortdurende verwijzing naar de "Code Penal", het oude wetboek van strafrecht onder Napoleon ingevoerd. Koning Willem I heeft in een Staatsblad van 1813 de "Code Penal" op verscheidene punten niet geldig verklaard voor het Nederlandse grondgebied. De doodstraf mocht onder andere alleen nog maar met de strop (onterende straf) of met het zwaard worden voltrokken. Over de lijfstraffen zegt hij specifiek over het binden aan de "carcan", schandpaal, dat dit afgeschaft is en dat personen nog wel publiekelijk te schande kunnen worden gesteld gebonden aan een paal met de reden van deze straf beschreven op een bord welke de veroordeelde op de buik diende te dragen. Ook de levenslange dwangarbeid zou zijn afgeschaft en omgevormd tot gevangenisstraffen. Echter zowel dwangarbeid als de schandpaal komen voor in dit vonnis onder verwijzing naar de "Code Penal".
Martin Noijen komen we tenslotte weer tegen op lijsten van gevangenen in de diverse gevangenisinstellingen voor zwaar gestraften. Deze lijsten zijn samengesteld in opdracht van het "Cour Superieure de Justice à Liège" (het Hooggerechtshof te Luik) en het geheel is gedateerd op 1 september 1825. In naam van Koning Willem I kregen een aantal gedetineerden amnestie of strafvermindering. Hun namen en de mate van strafvermindering is weer vastgelegd op aparte lijsten die toegevoegd zijn aan de hele bundel. Martin Noijen behoorde echter niet tot de gelukkigen. We vinden hem terug op de lijst van het "Maison de détention Gand" (gevangenis te Gent) onder volgnummer 772. Achter zijn naam staan onder andere de reden van veroordeling ("diefstal"), het vonnis ("eeuwig"), datum van het vonnis (3 maart 1820), zijn gedrag beoordeeld door de "kommandant" ("goed") en door de "opzigter" ("naarstig").
Nicolaas Noijen/Janssen,
Tr. te Blitterswijk op 20 augustus 1780 met Elizabeth Hermkens
Nicolaas Noijen is overleden op 6 juni 1812 te Blitterswijk (Meerlo), oud 57
jaar, geboren Baerle (departement Bouches du Rhin).
Elizabeth Hermkens, in het bovenstaande verhaal ook "Foeselbet"
genoemd, is overleden op 12 september 1820 te Blitterswijk, bijna een maand na
de publieke terechtstelling van haar zoon Martin.
Kinderen:
Bij alle doopinschrijvingen stond in eerste instantie Janssen geschreven, dit is doorgehaald en de naam Noijen is hiervoor in de plaats geschreven. De reden is niet bekend.
Martinus Noijen,
Tr. te Meerlo op 9 mei 1810 met Elise Keltgens
Martinus was van beroep dagloner en woonde in de periode 1810 – 1820 in het
huis met huisnummer 47 (in 1817) te Blitterswijk.
Elisabeth Keltgens, geboren circa 1778 te Swolgen, is overleden op 25 april 1832
te Blitterswijk (Meerlo). Op moment van aangifte van de dood van Elisabeth
Keltgens was bij de aangevers (de naburen) niet bekend waar zij geboren was, er
was blijkbaar niemand aanwezig die het hun heeft kunnen vertellen.
Kinderen:
Martinus Noijen trouwt voor de tweede maal op 3 mei 1841 te Broekhuizen met Petronella Cuijpers (geboren te Venray op 11 november 1804). Hieruit blijkt dat de levenslange dwangarbeid niet als zodanig moet worden geinterpreteerd. Na ongeveer 20 jaar is hij blijkbaar weer teruggekeerd naar zijn geboortegrond.
Bronnen:
RA Limburg, Nieuw rechterlijk archief, Archief van het
"Cour d'assises (en cour speciale) du departement de la Meuse-Inférieure",
later hof van Assises (en speciaal gerechtshof) van de provincie Limburg te
Maastricht, 1811 - 1841:
inv.nr. 343, Dossiers van criminele processen, 1811 - 1841
inv.nr. 405, Processen-verbaal betreffende de uitvoering van criminele vonissen,
1814 - 1831.
RA Limburg, Nieuw rechterlijk archief, Archief van den
"Procureur imperial criminel", later procureur- crimineel bij het hof
van assises te Maastricht, 1811 - 1841:
inv.nr. 477, Stukken betreffende het transport van gevangenen naar Vilvoorde,
Gent en St.Bernard (Hemixem), uitwijzingen van vreemdelingen, bestrijding van de
bedelarij, verblijfsvergunningen enz. 1812 – 1830.
DTB-registers Blitterswijk
Burgerlijke Stand Meerlo
Publicatie: Overkwartier van Gelre, jaar 2001 nummer 3